Woensdag 1 april, dat is geen grap, hadden we een bestuursvergadering. We spraken onder andere over de visie die de LOPV, vakbonden, ministerie en politie gezamenlijk aan het ontwikkelen zijn op de (toekomstige) politievrijwilliger. Voor de LOPV is het uitgangspunt de gelijkwaardigheid ten opzichte van de beroepsmatige collega's.

Voor beroepsmatige collega's is er om allerlei redenen besloten om surveillanten in de gebiedsgebonden politiezorg (GGP) te gaan uitfaseren. De LOPV wil dat in de komende jaren alleen nog maar executieve politievrijwilliger instromen op het niveau van agent en hoger. Voor de huidige surveillant in de GGP zal dit betekenen dat er gewerkt moet worden aan doorstroming naar het niveau van agent of hoger.

Er speelt een probleem rond executieve politievrijwilligers die nu bezig zijn met de doorstroomopleiding – of die dat in de toekomst nog gaan doen. Het probleem is dat ze tijdens sommige diensten wel en andere diensten het vuurwapen niet mogen dragen. Tijdens de doorstroomopleiding mogen zij alleen het vuurwapen dragen als ze stage lopen, maar volgens de politie zijn niet alle diensten die de doorstromers doen als stage aan te merken. De LOPV overweegt om het advies uit te brengen om tijdens de opleiding alleen nog diensten te verrichten die als stage kunnen worden aangemerkt en geen diensten meer te doen die niet als stage gelden. Een beroepscollega die op school zit verricht immers ook geen diensten meer voor zijn 'oude basisteam', anders dan stage.

Wat ons betreft moet tijdens de stageperiode altijd, natuurlijk nadat de executieve politievrijwilliger is afgetoetst, de volledige bewapening gedragen worden. Het is bovendien ook uit veiligheidsoogpunt niet wenselijk om de ene dienst wel uitgerust te zijn met het vuurwapen en de andere dienst niet. Niet alleen de politievrijwilliger zelf moet er blind en reflexmatig op kunnen vertrouwen welke wapens hij op dat moment draagt. De collega's met wie hij dienst doet moeten dat ook. Als er sprake is van escalatie kunnen die collega's zich vergissen in de bewapening van de executieve politievrijwilliger. Daardoor zouden ze zich kunnen vergissen in de te gebruiken escalatieprocedure. De LOPV vindt dit onwenselijk en dringt aan op een betere fasering van de opleiding en een aanpassing van de regels. Ook wijzen we executieve politievrijwilligers die het betreft op hun eigen verantwoordelijkheid.

Tijdens de bestuursvergadering spraken we ook over de problemen die – vooral niet-executieve – politievrijwilligers (voorheen: volontairs) hebben met hun eventuele uitkeringsinstantie. De LOPV heeft inmiddels meerdere keren om aandacht gevraagd voor dit probleem. Het lijkt erop dat de politieorganisatie niet in staat is om het knelpunt op korte termijn op te lossen. Het ministerie van Veiligheid en Justitie is nu aan zet om samen met uitkeringsinstanties de impasse te doorbreken. De LOPV blijft, zolang er nog geen oplossing is, om aandacht vragen. Het bestuur van de LOPV hoopt tijdens de Algemene Ledenvergadering op 25 juni met u allen over de bovenstaande onderwerpen van gedachte te kunnen wisselen.